All Dutch verbs

beginnen

to begin

Irregularzijn

Example

De les begint om negen uur.

The lesson begins at nine o’clock.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
begin
jij
begint
hij/zij/het
begint
wij
beginnen
jullie
beginnen
zij
beginnen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
begon
jij
begon
hij/zij/het
begon
wij
begonnen
jullie
begonnen
zij
begonnen

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
ben begonnen
jij
bent begonnen
hij/zij/het
is begonnen
wij
zijn begonnen
jullie
zijn begonnen
zij
zijn begonnen

Toekomende tijd (future)

ik
zal beginnen
jij
zult beginnen
hij/zij/het
zal beginnen
wij
zullen beginnen
jullie
zullen beginnen
zij
zullen beginnen

Conditionalis (conditional)

ik
zou beginnen
jij
zou beginnen
hij/zij/het
zou beginnen
wij
zouden beginnen
jullie
zouden beginnen
zij
zouden beginnen

Imperative

jij
begin
u / jullie
begint
Practise this verb