All Dutch verbs

eten

to eat

Irregularhebben

Example

Wij eten om zes uur.

We eat at six o’clock.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
eet
jij
eet
hij/zij/het
eet
wij
eten
jullie
eten
zij
eten

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
at
jij
at
hij/zij/het
at
wij
aten
jullie
aten
zij
aten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gegeten
jij
hebt gegeten
hij/zij/het
heeft gegeten
wij
hebben gegeten
jullie
hebben gegeten
zij
hebben gegeten

Toekomende tijd (future)

ik
zal eten
jij
zult eten
hij/zij/het
zal eten
wij
zullen eten
jullie
zullen eten
zij
zullen eten

Conditionalis (conditional)

ik
zou eten
jij
zou eten
hij/zij/het
zou eten
wij
zouden eten
jullie
zouden eten
zij
zouden eten

Imperative

jij
eet
u / jullie
eet
Practise this verb