All Dutch verbs

drinken

to drink

Irregularhebben

Example

Hij drinkt een kopje koffie.

He is drinking a cup of coffee.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
drink
jij
drinkt
hij/zij/het
drinkt
wij
drinken
jullie
drinken
zij
drinken

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
dronk
jij
dronk
hij/zij/het
dronk
wij
dronken
jullie
dronken
zij
dronken

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gedronken
jij
hebt gedronken
hij/zij/het
heeft gedronken
wij
hebben gedronken
jullie
hebben gedronken
zij
hebben gedronken

Toekomende tijd (future)

ik
zal drinken
jij
zult drinken
hij/zij/het
zal drinken
wij
zullen drinken
jullie
zullen drinken
zij
zullen drinken

Conditionalis (conditional)

ik
zou drinken
jij
zou drinken
hij/zij/het
zou drinken
wij
zouden drinken
jullie
zouden drinken
zij
zouden drinken

Imperative

jij
drink
u / jullie
drinkt
Practise this verb