ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
drinken
to drink
Irregular
hebben
Example
Hij drinkt een kopje koffie.
He is drinking a cup of coffee.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
drink
jij
drinkt
hij/zij/het
drinkt
wij
drinken
jullie
drinken
zij
drinken
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
dronk
jij
dronk
hij/zij/het
dronk
wij
dronken
jullie
dronken
zij
dronken
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gedronken
jij
hebt gedronken
hij/zij/het
heeft gedronken
wij
hebben gedronken
jullie
hebben gedronken
zij
hebben gedronken
Toekomende tijd (future)
ik
zal drinken
jij
zult drinken
hij/zij/het
zal drinken
wij
zullen drinken
jullie
zullen drinken
zij
zullen drinken
Conditionalis (conditional)
ik
zou drinken
jij
zou drinken
hij/zij/het
zou drinken
wij
zouden drinken
jullie
zouden drinken
zij
zouden drinken
Imperative
jij
drink
u / jullie
drinkt
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
eten