All Dutch verbs

gaan

to go

Irregularzijn

Example

Ik ga naar mijn werk.

I am going to work.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
ga
jij
gaat
hij/zij/het
gaat
wij
gaan
jullie
gaan
zij
gaan

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
ging
jij
ging
hij/zij/het
ging
wij
gingen
jullie
gingen
zij
gingen

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
ben gegaan
jij
bent gegaan
hij/zij/het
is gegaan
wij
zijn gegaan
jullie
zijn gegaan
zij
zijn gegaan

Toekomende tijd (future)

ik
zal gaan
jij
zult gaan
hij/zij/het
zal gaan
wij
zullen gaan
jullie
zullen gaan
zij
zullen gaan

Conditionalis (conditional)

ik
zou gaan
jij
zou gaan
hij/zij/het
zou gaan
wij
zouden gaan
jullie
zouden gaan
zij
zouden gaan

Imperative

jij
ga
u / jullie
gaat
Practise this verb