ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
geven
to give
Irregular
hebben
Example
Ik geef je het boek.
I give you the book.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
geef
jij
geeft
hij/zij/het
geeft
wij
geven
jullie
geven
zij
geven
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
gaf
jij
gaf
hij/zij/het
gaf
wij
gaven
jullie
gaven
zij
gaven
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gegeven
jij
hebt gegeven
hij/zij/het
heeft gegeven
wij
hebben gegeven
jullie
hebben gegeven
zij
hebben gegeven
Toekomende tijd (future)
ik
zal geven
jij
zult geven
hij/zij/het
zal geven
wij
zullen geven
jullie
zullen geven
zij
zullen geven
Conditionalis (conditional)
ik
zou geven
jij
zou geven
hij/zij/het
zou geven
wij
zouden geven
jullie
zouden geven
zij
zouden geven
Imperative
jij
geef
u / jullie
geeft
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken