All Dutch verbs

geven

to give

Irregularhebben

Example

Ik geef je het boek.

I give you the book.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
geef
jij
geeft
hij/zij/het
geeft
wij
geven
jullie
geven
zij
geven

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
gaf
jij
gaf
hij/zij/het
gaf
wij
gaven
jullie
gaven
zij
gaven

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gegeven
jij
hebt gegeven
hij/zij/het
heeft gegeven
wij
hebben gegeven
jullie
hebben gegeven
zij
hebben gegeven

Toekomende tijd (future)

ik
zal geven
jij
zult geven
hij/zij/het
zal geven
wij
zullen geven
jullie
zullen geven
zij
zullen geven

Conditionalis (conditional)

ik
zou geven
jij
zou geven
hij/zij/het
zou geven
wij
zouden geven
jullie
zouden geven
zij
zouden geven

Imperative

jij
geef
u / jullie
geeft
Practise this verb