ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
moeten
must / to have to
Irregular
hebben
Example
We moeten nu gaan.
We have to go now.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
moet
jij
moet
hij/zij/het
moet
wij
moeten
jullie
moeten
zij
moeten
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
moest
jij
moest
hij/zij/het
moest
wij
moesten
jullie
moesten
zij
moesten
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gemoeten
jij
hebt gemoeten
hij/zij/het
heeft gemoeten
wij
hebben gemoeten
jullie
hebben gemoeten
zij
hebben gemoeten
Toekomende tijd (future)
ik
zal moeten
jij
zult moeten
hij/zij/het
zal moeten
wij
zullen moeten
jullie
zullen moeten
zij
zullen moeten
Conditionalis (conditional)
ik
zou moeten
jij
zou moeten
hij/zij/het
zou moeten
wij
zouden moeten
jullie
zouden moeten
zij
zouden moeten
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken