All Dutch verbs

moeten

must / to have to

Irregularhebben

Example

We moeten nu gaan.

We have to go now.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
moet
jij
moet
hij/zij/het
moet
wij
moeten
jullie
moeten
zij
moeten

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
moest
jij
moest
hij/zij/het
moest
wij
moesten
jullie
moesten
zij
moesten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gemoeten
jij
hebt gemoeten
hij/zij/het
heeft gemoeten
wij
hebben gemoeten
jullie
hebben gemoeten
zij
hebben gemoeten

Toekomende tijd (future)

ik
zal moeten
jij
zult moeten
hij/zij/het
zal moeten
wij
zullen moeten
jullie
zullen moeten
zij
zullen moeten

Conditionalis (conditional)

ik
zou moeten
jij
zou moeten
hij/zij/het
zou moeten
wij
zouden moeten
jullie
zouden moeten
zij
zouden moeten
Practise this verb