ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
rijden
to drive/ride
Irregular
zijn
Example
Ik rijd naar Amsterdam.
I am driving to Amsterdam.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
rijd
jij
rijdt
hij/zij/het
rijdt
wij
rijden
jullie
rijden
zij
rijden
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
reed
jij
reed
hij/zij/het
reed
wij
reden
jullie
reden
zij
reden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
ben gereden
jij
bent gereden
hij/zij/het
is gereden
wij
zijn gereden
jullie
zijn gereden
zij
zijn gereden
Toekomende tijd (future)
ik
zal rijden
jij
zult rijden
hij/zij/het
zal rijden
wij
zullen rijden
jullie
zullen rijden
zij
zullen rijden
Conditionalis (conditional)
ik
zou rijden
jij
zou rijden
hij/zij/het
zou rijden
wij
zouden rijden
jullie
zouden rijden
zij
zouden rijden
Imperative
jij
rijd
u / jullie
rijdt
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken