All Dutch verbs

rijden

to drive/ride

Irregularzijn

Example

Ik rijd naar Amsterdam.

I am driving to Amsterdam.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
rijd
jij
rijdt
hij/zij/het
rijdt
wij
rijden
jullie
rijden
zij
rijden

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
reed
jij
reed
hij/zij/het
reed
wij
reden
jullie
reden
zij
reden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
ben gereden
jij
bent gereden
hij/zij/het
is gereden
wij
zijn gereden
jullie
zijn gereden
zij
zijn gereden

Toekomende tijd (future)

ik
zal rijden
jij
zult rijden
hij/zij/het
zal rijden
wij
zullen rijden
jullie
zullen rijden
zij
zullen rijden

Conditionalis (conditional)

ik
zou rijden
jij
zou rijden
hij/zij/het
zou rijden
wij
zouden rijden
jullie
zouden rijden
zij
zouden rijden

Imperative

jij
rijd
u / jullie
rijdt
Practise this verb