All Dutch verbs

spreken

to speak

Irregularhebben

Example

Zij spreekt Nederlands en Arabisch.

She speaks Dutch and Arabic.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
spreek
jij
spreekt
hij/zij/het
spreekt
wij
spreken
jullie
spreken
zij
spreken

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
sprak
jij
sprak
hij/zij/het
sprak
wij
spraken
jullie
spraken
zij
spraken

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gesproken
jij
hebt gesproken
hij/zij/het
heeft gesproken
wij
hebben gesproken
jullie
hebben gesproken
zij
hebben gesproken

Toekomende tijd (future)

ik
zal spreken
jij
zult spreken
hij/zij/het
zal spreken
wij
zullen spreken
jullie
zullen spreken
zij
zullen spreken

Conditionalis (conditional)

ik
zou spreken
jij
zou spreken
hij/zij/het
zou spreken
wij
zouden spreken
jullie
zouden spreken
zij
zouden spreken

Imperative

jij
spreek
u / jullie
spreekt
Practise this verb