ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
spreken
to speak
Irregular
hebben
Example
Zij spreekt Nederlands en Arabisch.
She speaks Dutch and Arabic.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
spreek
jij
spreekt
hij/zij/het
spreekt
wij
spreken
jullie
spreken
zij
spreken
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
sprak
jij
sprak
hij/zij/het
sprak
wij
spraken
jullie
spraken
zij
spraken
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gesproken
jij
hebt gesproken
hij/zij/het
heeft gesproken
wij
hebben gesproken
jullie
hebben gesproken
zij
hebben gesproken
Toekomende tijd (future)
ik
zal spreken
jij
zult spreken
hij/zij/het
zal spreken
wij
zullen spreken
jullie
zullen spreken
zij
zullen spreken
Conditionalis (conditional)
ik
zou spreken
jij
zou spreken
hij/zij/het
zou spreken
wij
zouden spreken
jullie
zouden spreken
zij
zouden spreken
Imperative
jij
spreek
u / jullie
spreekt
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken