All Dutch verbs

staan

to stand

Irregularhebben

Example

De auto staat voor het huis.

The car is standing in front of the house.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
sta
jij
staat
hij/zij/het
staat
wij
staan
jullie
staan
zij
staan

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
stond
jij
stond
hij/zij/het
stond
wij
stonden
jullie
stonden
zij
stonden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gestaan
jij
hebt gestaan
hij/zij/het
heeft gestaan
wij
hebben gestaan
jullie
hebben gestaan
zij
hebben gestaan

Toekomende tijd (future)

ik
zal staan
jij
zult staan
hij/zij/het
zal staan
wij
zullen staan
jullie
zullen staan
zij
zullen staan

Conditionalis (conditional)

ik
zou staan
jij
zou staan
hij/zij/het
zou staan
wij
zouden staan
jullie
zouden staan
zij
zouden staan

Imperative

jij
sta
u / jullie
staat
Practise this verb