ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
staan
to stand
Irregular
hebben
Example
De auto staat voor het huis.
The car is standing in front of the house.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
sta
jij
staat
hij/zij/het
staat
wij
staan
jullie
staan
zij
staan
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
stond
jij
stond
hij/zij/het
stond
wij
stonden
jullie
stonden
zij
stonden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gestaan
jij
hebt gestaan
hij/zij/het
heeft gestaan
wij
hebben gestaan
jullie
hebben gestaan
zij
hebben gestaan
Toekomende tijd (future)
ik
zal staan
jij
zult staan
hij/zij/het
zal staan
wij
zullen staan
jullie
zullen staan
zij
zullen staan
Conditionalis (conditional)
ik
zou staan
jij
zou staan
hij/zij/het
zou staan
wij
zouden staan
jullie
zouden staan
zij
zouden staan
Imperative
jij
sta
u / jullie
staat
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken