ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
vertrekken
to leave/depart
Irregular
zijn
Example
De trein vertrekt om acht uur.
The train leaves at eight o’clock.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
vertrek
jij
vertrekt
hij/zij/het
vertrekt
wij
vertrekken
jullie
vertrekken
zij
vertrekken
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
vertrok
jij
vertrok
hij/zij/het
vertrok
wij
vertrokken
jullie
vertrokken
zij
vertrokken
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
ben vertrokken
jij
bent vertrokken
hij/zij/het
is vertrokken
wij
zijn vertrokken
jullie
zijn vertrokken
zij
zijn vertrokken
Toekomende tijd (future)
ik
zal vertrekken
jij
zult vertrekken
hij/zij/het
zal vertrekken
wij
zullen vertrekken
jullie
zullen vertrekken
zij
zullen vertrekken
Conditionalis (conditional)
ik
zou vertrekken
jij
zou vertrekken
hij/zij/het
zou vertrekken
wij
zouden vertrekken
jullie
zouden vertrekken
zij
zouden vertrekken
Imperative
jij
vertrek
u / jullie
vertrekt
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken