ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
weten
to know (a fact)
Irregular
hebben
Example
Ik weet het antwoord niet.
I don't know the answer.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
weet
jij
weet
hij/zij/het
weet
wij
weten
jullie
weten
zij
weten
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
wist
jij
wist
hij/zij/het
wist
wij
wisten
jullie
wisten
zij
wisten
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb geweten
jij
hebt geweten
hij/zij/het
heeft geweten
wij
hebben geweten
jullie
hebben geweten
zij
hebben geweten
Toekomende tijd (future)
ik
zal weten
jij
zult weten
hij/zij/het
zal weten
wij
zullen weten
jullie
zullen weten
zij
zullen weten
Conditionalis (conditional)
ik
zou weten
jij
zou weten
hij/zij/het
zou weten
wij
zouden weten
jullie
zouden weten
zij
zouden weten
Imperative
jij
weet
u / jullie
weet
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken