All Dutch verbs

weten

to know (a fact)

Irregularhebben

Example

Ik weet het antwoord niet.

I don't know the answer.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
weet
jij
weet
hij/zij/het
weet
wij
weten
jullie
weten
zij
weten

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
wist
jij
wist
hij/zij/het
wist
wij
wisten
jullie
wisten
zij
wisten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb geweten
jij
hebt geweten
hij/zij/het
heeft geweten
wij
hebben geweten
jullie
hebben geweten
zij
hebben geweten

Toekomende tijd (future)

ik
zal weten
jij
zult weten
hij/zij/het
zal weten
wij
zullen weten
jullie
zullen weten
zij
zullen weten

Conditionalis (conditional)

ik
zou weten
jij
zou weten
hij/zij/het
zou weten
wij
zouden weten
jullie
zouden weten
zij
zouden weten

Imperative

jij
weet
u / jullie
weet
Practise this verb