All Dutch verbs

zeggen

to say

Irregularhebben

Example

Wat zeg je?

What are you saying?

Tegenwoordige tijd (present)

ik
zeg
jij
zegt
hij/zij/het
zegt
wij
zeggen
jullie
zeggen
zij
zeggen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
zei
jij
zei
hij/zij/het
zei
wij
zeiden
jullie
zeiden
zij
zeiden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gezegd
jij
hebt gezegd
hij/zij/het
heeft gezegd
wij
hebben gezegd
jullie
hebben gezegd
zij
hebben gezegd

Toekomende tijd (future)

ik
zal zeggen
jij
zult zeggen
hij/zij/het
zal zeggen
wij
zullen zeggen
jullie
zullen zeggen
zij
zullen zeggen

Conditionalis (conditional)

ik
zou zeggen
jij
zou zeggen
hij/zij/het
zou zeggen
wij
zouden zeggen
jullie
zouden zeggen
zij
zouden zeggen

Imperative

jij
zeg
u / jullie
zegt
Practise this verb