All Dutch verbs

zien

to see

Irregularhebben

Example

Zie je de bus?

Do you see the bus?

Tegenwoordige tijd (present)

ik
zie
jij
ziet
hij/zij/het
ziet
wij
zien
jullie
zien
zij
zien

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
zag
jij
zag
hij/zij/het
zag
wij
zagen
jullie
zagen
zij
zagen

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gezien
jij
hebt gezien
hij/zij/het
heeft gezien
wij
hebben gezien
jullie
hebben gezien
zij
hebben gezien

Toekomende tijd (future)

ik
zal zien
jij
zult zien
hij/zij/het
zal zien
wij
zullen zien
jullie
zullen zien
zij
zullen zien

Conditionalis (conditional)

ik
zou zien
jij
zou zien
hij/zij/het
zou zien
wij
zouden zien
jullie
zouden zien
zij
zouden zien

Imperative

jij
zie
u / jullie
ziet
Practise this verb