ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
zien
to see
Irregular
hebben
Example
Zie je de bus?
Do you see the bus?
Tegenwoordige tijd (present)
ik
zie
jij
ziet
hij/zij/het
ziet
wij
zien
jullie
zien
zij
zien
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
zag
jij
zag
hij/zij/het
zag
wij
zagen
jullie
zagen
zij
zagen
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gezien
jij
hebt gezien
hij/zij/het
heeft gezien
wij
hebben gezien
jullie
hebben gezien
zij
hebben gezien
Toekomende tijd (future)
ik
zal zien
jij
zult zien
hij/zij/het
zal zien
wij
zullen zien
jullie
zullen zien
zij
zullen zien
Conditionalis (conditional)
ik
zou zien
jij
zou zien
hij/zij/het
zou zien
wij
zouden zien
jullie
zouden zien
zij
zouden zien
Imperative
jij
zie
u / jullie
ziet
Practise this verb
Related verbs
beginnen
blijven
brengen
denken
doen
drinken