All Dutch verbsExample
He does not answer.
Tegenwoordige tijd (present)
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
- hij/zij/het
- heeft geantwoord
Toekomende tijd (future)
- hij/zij/het
- zal antwoorden
Conditionalis (conditional)
- hij/zij/het
- zou antwoorden