ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
bezoeken
to visit
Regular
hebben
Example
Ik bezoek mijn ouders in het weekend.
I am visiting my parents at the weekend.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
bezoek
jij
bezoekt
hij/zij/het
bezoekt
wij
bezoeken
jullie
bezoeken
zij
bezoeken
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
bezoekte
jij
bezoekte
hij/zij/het
bezoekte
wij
bezoekten
jullie
bezoekten
zij
bezoekten
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gebezoekt
jij
hebt gebezoekt
hij/zij/het
heeft gebezoekt
wij
hebben gebezoekt
jullie
hebben gebezoekt
zij
hebben gebezoekt
Toekomende tijd (future)
ik
zal bezoeken
jij
zult bezoeken
hij/zij/het
zal bezoeken
wij
zullen bezoeken
jullie
zullen bezoeken
zij
zullen bezoeken
Conditionalis (conditional)
ik
zou bezoeken
jij
zou bezoeken
hij/zij/het
zou bezoeken
wij
zouden bezoeken
jullie
zouden bezoeken
zij
zouden bezoeken
Imperative
jij
bezoek
u / jullie
bezoekt
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen