All Dutch verbs

bezoeken

to visit

Regularhebben

Example

Ik bezoek mijn ouders in het weekend.

I am visiting my parents at the weekend.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
bezoek
jij
bezoekt
hij/zij/het
bezoekt
wij
bezoeken
jullie
bezoeken
zij
bezoeken

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
bezoekte
jij
bezoekte
hij/zij/het
bezoekte
wij
bezoekten
jullie
bezoekten
zij
bezoekten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gebezoekt
jij
hebt gebezoekt
hij/zij/het
heeft gebezoekt
wij
hebben gebezoekt
jullie
hebben gebezoekt
zij
hebben gebezoekt

Toekomende tijd (future)

ik
zal bezoeken
jij
zult bezoeken
hij/zij/het
zal bezoeken
wij
zullen bezoeken
jullie
zullen bezoeken
zij
zullen bezoeken

Conditionalis (conditional)

ik
zou bezoeken
jij
zou bezoeken
hij/zij/het
zou bezoeken
wij
zouden bezoeken
jullie
zouden bezoeken
zij
zouden bezoeken

Imperative

jij
bezoek
u / jullie
bezoekt
Practise this verb