All Dutch verbs

betalen

to pay

Regularhebben

Example

Ik betaal met mijn pinpas.

I am paying with my debit card.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
betaal
jij
betaalt
hij/zij/het
betaalt
wij
betalen
jullie
betalen
zij
betalen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
betaalde
jij
betaalde
hij/zij/het
betaalde
wij
betaalden
jullie
betaalden
zij
betaalden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gebetaald
jij
hebt gebetaald
hij/zij/het
heeft gebetaald
wij
hebben gebetaald
jullie
hebben gebetaald
zij
hebben gebetaald

Toekomende tijd (future)

ik
zal betalen
jij
zult betalen
hij/zij/het
zal betalen
wij
zullen betalen
jullie
zullen betalen
zij
zullen betalen

Conditionalis (conditional)

ik
zou betalen
jij
zou betalen
hij/zij/het
zou betalen
wij
zouden betalen
jullie
zouden betalen
zij
zouden betalen

Imperative

jij
betaal
u / jullie
betaalt
Practise this verb