All Dutch verbs

bellen

to call (by phone)

Regularhebben

Example

Ik bel je vanavond.

I will call you tonight.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
bel
jij
belt
hij/zij/het
belt
wij
bellen
jullie
bellen
zij
bellen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
belde
jij
belde
hij/zij/het
belde
wij
belden
jullie
belden
zij
belden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gebeld
jij
hebt gebeld
hij/zij/het
heeft gebeld
wij
hebben gebeld
jullie
hebben gebeld
zij
hebben gebeld

Toekomende tijd (future)

ik
zal bellen
jij
zult bellen
hij/zij/het
zal bellen
wij
zullen bellen
jullie
zullen bellen
zij
zullen bellen

Conditionalis (conditional)

ik
zou bellen
jij
zou bellen
hij/zij/het
zou bellen
wij
zouden bellen
jullie
zouden bellen
zij
zouden bellen

Imperative

jij
bel
u / jullie
belt
Practise this verb