All Dutch verbs

bouwen

to build

Regularhebben

Example

Zij bouwen een nieuw huis.

They are building a new house.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
bouw
jij
bouwt
hij/zij/het
bouwt
wij
bouwen
jullie
bouwen
zij
bouwen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
bouwde
jij
bouwde
hij/zij/het
bouwde
wij
bouwden
jullie
bouwden
zij
bouwden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gebouwd
jij
hebt gebouwd
hij/zij/het
heeft gebouwd
wij
hebben gebouwd
jullie
hebben gebouwd
zij
hebben gebouwd

Toekomende tijd (future)

ik
zal bouwen
jij
zult bouwen
hij/zij/het
zal bouwen
wij
zullen bouwen
jullie
zullen bouwen
zij
zullen bouwen

Conditionalis (conditional)

ik
zou bouwen
jij
zou bouwen
hij/zij/het
zou bouwen
wij
zouden bouwen
jullie
zouden bouwen
zij
zouden bouwen

Imperative

jij
bouw
u / jullie
bouwt
Practise this verb