ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
bouwen
to build
Regular
hebben
Example
Zij bouwen een nieuw huis.
They are building a new house.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
bouw
jij
bouwt
hij/zij/het
bouwt
wij
bouwen
jullie
bouwen
zij
bouwen
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
bouwde
jij
bouwde
hij/zij/het
bouwde
wij
bouwden
jullie
bouwden
zij
bouwden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gebouwd
jij
hebt gebouwd
hij/zij/het
heeft gebouwd
wij
hebben gebouwd
jullie
hebben gebouwd
zij
hebben gebouwd
Toekomende tijd (future)
ik
zal bouwen
jij
zult bouwen
hij/zij/het
zal bouwen
wij
zullen bouwen
jullie
zullen bouwen
zij
zullen bouwen
Conditionalis (conditional)
ik
zou bouwen
jij
zou bouwen
hij/zij/het
zou bouwen
wij
zouden bouwen
jullie
zouden bouwen
zij
zouden bouwen
Imperative
jij
bouw
u / jullie
bouwt
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen