ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
branden
to burn
Regular
hebben
Example
De kaars brandt in de kamer.
The candle is burning in the room.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
brand
jij
brandt
hij/zij/het
brandt
wij
branden
jullie
branden
zij
branden
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
brandde
jij
brandde
hij/zij/het
brandde
wij
brandden
jullie
brandden
zij
brandden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gebrand
jij
hebt gebrand
hij/zij/het
heeft gebrand
wij
hebben gebrand
jullie
hebben gebrand
zij
hebben gebrand
Toekomende tijd (future)
ik
zal branden
jij
zult branden
hij/zij/het
zal branden
wij
zullen branden
jullie
zullen branden
zij
zullen branden
Conditionalis (conditional)
ik
zou branden
jij
zou branden
hij/zij/het
zou branden
wij
zouden branden
jullie
zouden branden
zij
zouden branden
Imperative
jij
brand
u / jullie
brandt
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen