All Dutch verbs

dromen

to dream

Regularhebben

Example

Ik droom vaak over vakantie.

I often dream about holidays.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
droom
jij
droomt
hij/zij/het
droomt
wij
dromen
jullie
dromen
zij
dromen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
droomde
jij
droomde
hij/zij/het
droomde
wij
droomden
jullie
droomden
zij
droomden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gedroomd
jij
hebt gedroomd
hij/zij/het
heeft gedroomd
wij
hebben gedroomd
jullie
hebben gedroomd
zij
hebben gedroomd

Toekomende tijd (future)

ik
zal dromen
jij
zult dromen
hij/zij/het
zal dromen
wij
zullen dromen
jullie
zullen dromen
zij
zullen dromen

Conditionalis (conditional)

ik
zou dromen
jij
zou dromen
hij/zij/het
zou dromen
wij
zouden dromen
jullie
zouden dromen
zij
zouden dromen

Imperative

jij
droom
u / jullie
droomt
Practise this verb