ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
fotograferen
to photograph
Regular
hebben
Example
Hij fotografeert de mooie natuur.
He is photographing the beautiful nature.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
fotografer
jij
fotografert
hij/zij/het
fotografert
wij
fotograferen
jullie
fotograferen
zij
fotograferen
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
fotograferde
jij
fotograferde
hij/zij/het
fotograferde
wij
fotograferden
jullie
fotograferden
zij
fotograferden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gefotograferd
jij
hebt gefotograferd
hij/zij/het
heeft gefotograferd
wij
hebben gefotograferd
jullie
hebben gefotograferd
zij
hebben gefotograferd
Toekomende tijd (future)
ik
zal fotograferen
jij
zult fotograferen
hij/zij/het
zal fotograferen
wij
zullen fotograferen
jullie
zullen fotograferen
zij
zullen fotograferen
Conditionalis (conditional)
ik
zou fotograferen
jij
zou fotograferen
hij/zij/het
zou fotograferen
wij
zouden fotograferen
jullie
zouden fotograferen
zij
zouden fotograferen
Imperative
jij
fotografer
u / jullie
fotografert
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen