All Dutch verbs

fotograferen

to photograph

Regularhebben

Example

Hij fotografeert de mooie natuur.

He is photographing the beautiful nature.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
fotografer
jij
fotografert
hij/zij/het
fotografert
wij
fotograferen
jullie
fotograferen
zij
fotograferen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
fotograferde
jij
fotograferde
hij/zij/het
fotograferde
wij
fotograferden
jullie
fotograferden
zij
fotograferden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gefotograferd
jij
hebt gefotograferd
hij/zij/het
heeft gefotograferd
wij
hebben gefotograferd
jullie
hebben gefotograferd
zij
hebben gefotograferd

Toekomende tijd (future)

ik
zal fotograferen
jij
zult fotograferen
hij/zij/het
zal fotograferen
wij
zullen fotograferen
jullie
zullen fotograferen
zij
zullen fotograferen

Conditionalis (conditional)

ik
zou fotograferen
jij
zou fotograferen
hij/zij/het
zou fotograferen
wij
zouden fotograferen
jullie
zouden fotograferen
zij
zouden fotograferen

Imperative

jij
fotografer
u / jullie
fotografert
Practise this verb