ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
geloven
to believe
Regular
hebben
Example
Ik geloof dit verhaal niet.
I do not believe this story.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
geloof
jij
gelooft
hij/zij/het
gelooft
wij
geloven
jullie
geloven
zij
geloven
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
geloofde
jij
geloofde
hij/zij/het
geloofde
wij
geloofden
jullie
geloofden
zij
geloofden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gegeloofd
jij
hebt gegeloofd
hij/zij/het
heeft gegeloofd
wij
hebben gegeloofd
jullie
hebben gegeloofd
zij
hebben gegeloofd
Toekomende tijd (future)
ik
zal geloven
jij
zult geloven
hij/zij/het
zal geloven
wij
zullen geloven
jullie
zullen geloven
zij
zullen geloven
Conditionalis (conditional)
ik
zou geloven
jij
zou geloven
hij/zij/het
zou geloven
wij
zouden geloven
jullie
zouden geloven
zij
zouden geloven
Imperative
jij
geloof
u / jullie
gelooft
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen