All Dutch verbs

geloven

to believe

Regularhebben

Example

Ik geloof dit verhaal niet.

I do not believe this story.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
geloof
jij
gelooft
hij/zij/het
gelooft
wij
geloven
jullie
geloven
zij
geloven

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
geloofde
jij
geloofde
hij/zij/het
geloofde
wij
geloofden
jullie
geloofden
zij
geloofden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gegeloofd
jij
hebt gegeloofd
hij/zij/het
heeft gegeloofd
wij
hebben gegeloofd
jullie
hebben gegeloofd
zij
hebben gegeloofd

Toekomende tijd (future)

ik
zal geloven
jij
zult geloven
hij/zij/het
zal geloven
wij
zullen geloven
jullie
zullen geloven
zij
zullen geloven

Conditionalis (conditional)

ik
zou geloven
jij
zou geloven
hij/zij/het
zou geloven
wij
zouden geloven
jullie
zouden geloven
zij
zouden geloven

Imperative

jij
geloof
u / jullie
gelooft
Practise this verb