All Dutch verbs

gloeien

to glow

Regularhebben

Example

De kachel gloeit in de kamer.

The heater glows in the room.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
gloei
jij
gloeit
hij/zij/het
gloeit
wij
gloeien
jullie
gloeien
zij
gloeien

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
gloeide
jij
gloeide
hij/zij/het
gloeide
wij
gloeiden
jullie
gloeiden
zij
gloeiden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gegloeid
jij
hebt gegloeid
hij/zij/het
heeft gegloeid
wij
hebben gegloeid
jullie
hebben gegloeid
zij
hebben gegloeid

Toekomende tijd (future)

ik
zal gloeien
jij
zult gloeien
hij/zij/het
zal gloeien
wij
zullen gloeien
jullie
zullen gloeien
zij
zullen gloeien

Conditionalis (conditional)

ik
zou gloeien
jij
zou gloeien
hij/zij/het
zou gloeien
wij
zouden gloeien
jullie
zouden gloeien
zij
zouden gloeien

Imperative

jij
gloei
u / jullie
gloeit
Practise this verb