All Dutch verbs

groeien

to grow

Regularzijn

Example

De planten groeien heel snel.

The plants are growing very fast.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
groei
jij
groeit
hij/zij/het
groeit
wij
groeien
jullie
groeien
zij
groeien

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
groeide
jij
groeide
hij/zij/het
groeide
wij
groeiden
jullie
groeiden
zij
groeiden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
ben gegroeid
jij
bent gegroeid
hij/zij/het
is gegroeid
wij
zijn gegroeid
jullie
zijn gegroeid
zij
zijn gegroeid

Toekomende tijd (future)

ik
zal groeien
jij
zult groeien
hij/zij/het
zal groeien
wij
zullen groeien
jullie
zullen groeien
zij
zullen groeien

Conditionalis (conditional)

ik
zou groeien
jij
zou groeien
hij/zij/het
zou groeien
wij
zouden groeien
jullie
zouden groeien
zij
zouden groeien

Imperative

jij
groei
u / jullie
groeit
Practise this verb