ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
groeten
to greet
Regular
hebben
Example
Hij groet zijn buurman op straat.
He greets his neighbor on the street.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
groet
jij
groet
hij/zij/het
groet
wij
groeten
jullie
groeten
zij
groeten
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
groette
jij
groette
hij/zij/het
groette
wij
groetten
jullie
groetten
zij
groetten
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gegroet
jij
hebt gegroet
hij/zij/het
heeft gegroet
wij
hebben gegroet
jullie
hebben gegroet
zij
hebben gegroet
Toekomende tijd (future)
ik
zal groeten
jij
zult groeten
hij/zij/het
zal groeten
wij
zullen groeten
jullie
zullen groeten
zij
zullen groeten
Conditionalis (conditional)
ik
zou groeten
jij
zou groeten
hij/zij/het
zou groeten
wij
zouden groeten
jullie
zouden groeten
zij
zouden groeten
Imperative
jij
groet
u / jullie
groet
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen