All Dutch verbs

groeten

to greet

Regularhebben

Example

Hij groet zijn buurman op straat.

He greets his neighbor on the street.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
groet
jij
groet
hij/zij/het
groet
wij
groeten
jullie
groeten
zij
groeten

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
groette
jij
groette
hij/zij/het
groette
wij
groetten
jullie
groetten
zij
groetten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gegroet
jij
hebt gegroet
hij/zij/het
heeft gegroet
wij
hebben gegroet
jullie
hebben gegroet
zij
hebben gegroet

Toekomende tijd (future)

ik
zal groeten
jij
zult groeten
hij/zij/het
zal groeten
wij
zullen groeten
jullie
zullen groeten
zij
zullen groeten

Conditionalis (conditional)

ik
zou groeten
jij
zou groeten
hij/zij/het
zou groeten
wij
zouden groeten
jullie
zouden groeten
zij
zouden groeten

Imperative

jij
groet
u / jullie
groet
Practise this verb