All Dutch verbs

huren

to rent

Regularhebben

Example

Wij huren een klein appartement.

We are renting a small apartment.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
huur
jij
huurt
hij/zij/het
huurt
wij
huren
jullie
huren
zij
huren

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
huurde
jij
huurde
hij/zij/het
huurde
wij
huurden
jullie
huurden
zij
huurden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gehuurd
jij
hebt gehuurd
hij/zij/het
heeft gehuurd
wij
hebben gehuurd
jullie
hebben gehuurd
zij
hebben gehuurd

Toekomende tijd (future)

ik
zal huren
jij
zult huren
hij/zij/het
zal huren
wij
zullen huren
jullie
zullen huren
zij
zullen huren

Conditionalis (conditional)

ik
zou huren
jij
zou huren
hij/zij/het
zou huren
wij
zouden huren
jullie
zouden huren
zij
zouden huren

Imperative

jij
huur
u / jullie
huurt
Practise this verb