All Dutch verbs

kennen

to know (be acquainted with)

Regularhebben

Example

Ken je deze man?

Do you know this man?

Tegenwoordige tijd (present)

ik
ken
jij
kent
hij/zij/het
kent
wij
kennen
jullie
kennen
zij
kennen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
kende
jij
kende
hij/zij/het
kende
wij
kenden
jullie
kenden
zij
kenden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gekend
jij
hebt gekend
hij/zij/het
heeft gekend
wij
hebben gekend
jullie
hebben gekend
zij
hebben gekend

Toekomende tijd (future)

ik
zal kennen
jij
zult kennen
hij/zij/het
zal kennen
wij
zullen kennen
jullie
zullen kennen
zij
zullen kennen

Conditionalis (conditional)

ik
zou kennen
jij
zou kennen
hij/zij/het
zou kennen
wij
zouden kennen
jullie
zouden kennen
zij
zouden kennen

Imperative

jij
ken
u / jullie
kent
Practise this verb