All Dutch verbs

koken

to cook

Regularhebben

Example

Hij kookt elke avond.

He cooks every evening.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
kook
jij
kookt
hij/zij/het
kookt
wij
koken
jullie
koken
zij
koken

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
kookte
jij
kookte
hij/zij/het
kookte
wij
kookten
jullie
kookten
zij
kookten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gekookt
jij
hebt gekookt
hij/zij/het
heeft gekookt
wij
hebben gekookt
jullie
hebben gekookt
zij
hebben gekookt

Toekomende tijd (future)

ik
zal koken
jij
zult koken
hij/zij/het
zal koken
wij
zullen koken
jullie
zullen koken
zij
zullen koken

Conditionalis (conditional)

ik
zou koken
jij
zou koken
hij/zij/het
zou koken
wij
zouden koken
jullie
zouden koken
zij
zouden koken

Imperative

jij
kook
u / jullie
kookt
Practise this verb