ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
leren
to learn
Regular
hebben
Example
Ik leer Nederlands.
I am learning Dutch.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
leer
jij
leert
hij/zij/het
leert
wij
leren
jullie
leren
zij
leren
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
leerde
jij
leerde
hij/zij/het
leerde
wij
leerden
jullie
leerden
zij
leerden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb geleerd
jij
hebt geleerd
hij/zij/het
heeft geleerd
wij
hebben geleerd
jullie
hebben geleerd
zij
hebben geleerd
Toekomende tijd (future)
ik
zal leren
jij
zult leren
hij/zij/het
zal leren
wij
zullen leren
jullie
zullen leren
zij
zullen leren
Conditionalis (conditional)
ik
zou leren
jij
zou leren
hij/zij/het
zou leren
wij
zouden leren
jullie
zouden leren
zij
zouden leren
Imperative
jij
leer
u / jullie
leert
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen