All Dutch verbs

leren

to learn

Regularhebben

Example

Ik leer Nederlands.

I am learning Dutch.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
leer
jij
leert
hij/zij/het
leert
wij
leren
jullie
leren
zij
leren

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
leerde
jij
leerde
hij/zij/het
leerde
wij
leerden
jullie
leerden
zij
leerden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb geleerd
jij
hebt geleerd
hij/zij/het
heeft geleerd
wij
hebben geleerd
jullie
hebben geleerd
zij
hebben geleerd

Toekomende tijd (future)

ik
zal leren
jij
zult leren
hij/zij/het
zal leren
wij
zullen leren
jullie
zullen leren
zij
zullen leren

Conditionalis (conditional)

ik
zou leren
jij
zou leren
hij/zij/het
zou leren
wij
zouden leren
jullie
zouden leren
zij
zouden leren

Imperative

jij
leer
u / jullie
leert
Practise this verb