ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
maken
to make/do
Regular
hebben
Example
Zij maakt haar huiswerk.
She is doing her homework.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
maak
jij
maakt
hij/zij/het
maakt
wij
maken
jullie
maken
zij
maken
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
maakte
jij
maakte
hij/zij/het
maakte
wij
maakten
jullie
maakten
zij
maakten
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gemaakt
jij
hebt gemaakt
hij/zij/het
heeft gemaakt
wij
hebben gemaakt
jullie
hebben gemaakt
zij
hebben gemaakt
Toekomende tijd (future)
ik
zal maken
jij
zult maken
hij/zij/het
zal maken
wij
zullen maken
jullie
zullen maken
zij
zullen maken
Conditionalis (conditional)
ik
zou maken
jij
zou maken
hij/zij/het
zou maken
wij
zouden maken
jullie
zouden maken
zij
zouden maken
Imperative
jij
maak
u / jullie
maakt
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen