All Dutch verbs

maken

to make/do

Regularhebben

Example

Zij maakt haar huiswerk.

She is doing her homework.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
maak
jij
maakt
hij/zij/het
maakt
wij
maken
jullie
maken
zij
maken

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
maakte
jij
maakte
hij/zij/het
maakte
wij
maakten
jullie
maakten
zij
maakten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gemaakt
jij
hebt gemaakt
hij/zij/het
heeft gemaakt
wij
hebben gemaakt
jullie
hebben gemaakt
zij
hebben gemaakt

Toekomende tijd (future)

ik
zal maken
jij
zult maken
hij/zij/het
zal maken
wij
zullen maken
jullie
zullen maken
zij
zullen maken

Conditionalis (conditional)

ik
zou maken
jij
zou maken
hij/zij/het
zou maken
wij
zouden maken
jullie
zouden maken
zij
zouden maken

Imperative

jij
maak
u / jullie
maakt
Practise this verb