All Dutch verbs

ontmoeten

to meet

Regularhebben

Example

Wij ontmoeten elkaar op het station.

We are meeting each other at the station.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
ontmoet
jij
ontmoet
hij/zij/het
ontmoet
wij
ontmoeten
jullie
ontmoeten
zij
ontmoeten

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
ontmoette
jij
ontmoette
hij/zij/het
ontmoette
wij
ontmoetten
jullie
ontmoetten
zij
ontmoetten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb geontmoet
jij
hebt geontmoet
hij/zij/het
heeft geontmoet
wij
hebben geontmoet
jullie
hebben geontmoet
zij
hebben geontmoet

Toekomende tijd (future)

ik
zal ontmoeten
jij
zult ontmoeten
hij/zij/het
zal ontmoeten
wij
zullen ontmoeten
jullie
zullen ontmoeten
zij
zullen ontmoeten

Conditionalis (conditional)

ik
zou ontmoeten
jij
zou ontmoeten
hij/zij/het
zou ontmoeten
wij
zouden ontmoeten
jullie
zouden ontmoeten
zij
zouden ontmoeten

Imperative

jij
ontmoet
u / jullie
ontmoet
Practise this verb