ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
openen
to open
Regular
hebben
Example
De winkel opent om negen uur.
The shop opens at nine o’clock.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
open
jij
opent
hij/zij/het
opent
wij
openen
jullie
openen
zij
openen
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
opende
jij
opende
hij/zij/het
opende
wij
openden
jullie
openden
zij
openden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb geopend
jij
hebt geopend
hij/zij/het
heeft geopend
wij
hebben geopend
jullie
hebben geopend
zij
hebben geopend
Toekomende tijd (future)
ik
zal openen
jij
zult openen
hij/zij/het
zal openen
wij
zullen openen
jullie
zullen openen
zij
zullen openen
Conditionalis (conditional)
ik
zou openen
jij
zou openen
hij/zij/het
zou openen
wij
zouden openen
jullie
zouden openen
zij
zouden openen
Imperative
jij
open
u / jullie
opent
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen