ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
plannen
to plan
Regular
hebben
Example
Zij plannen een leuke vakantie.
They are planning a nice holiday.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
plan
jij
plant
hij/zij/het
plant
wij
plannen
jullie
plannen
zij
plannen
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
plande
jij
plande
hij/zij/het
plande
wij
planden
jullie
planden
zij
planden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gepland
jij
hebt gepland
hij/zij/het
heeft gepland
wij
hebben gepland
jullie
hebben gepland
zij
hebben gepland
Toekomende tijd (future)
ik
zal plannen
jij
zult plannen
hij/zij/het
zal plannen
wij
zullen plannen
jullie
zullen plannen
zij
zullen plannen
Conditionalis (conditional)
ik
zou plannen
jij
zou plannen
hij/zij/het
zou plannen
wij
zouden plannen
jullie
zouden plannen
zij
zouden plannen
Imperative
jij
plan
u / jullie
plant
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen