All Dutch verbs

plannen

to plan

Regularhebben

Example

Zij plannen een leuke vakantie.

They are planning a nice holiday.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
plan
jij
plant
hij/zij/het
plant
wij
plannen
jullie
plannen
zij
plannen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
plande
jij
plande
hij/zij/het
plande
wij
planden
jullie
planden
zij
planden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gepland
jij
hebt gepland
hij/zij/het
heeft gepland
wij
hebben gepland
jullie
hebben gepland
zij
hebben gepland

Toekomende tijd (future)

ik
zal plannen
jij
zult plannen
hij/zij/het
zal plannen
wij
zullen plannen
jullie
zullen plannen
zij
zullen plannen

Conditionalis (conditional)

ik
zou plannen
jij
zou plannen
hij/zij/het
zou plannen
wij
zouden plannen
jullie
zouden plannen
zij
zouden plannen

Imperative

jij
plan
u / jullie
plant
Practise this verb