ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
sparen
to save
Regular
hebben
Example
Hij spaart geld voor een auto.
He is saving money for a car.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
spaar
jij
spaart
hij/zij/het
spaart
wij
sparen
jullie
sparen
zij
sparen
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
spaarde
jij
spaarde
hij/zij/het
spaarde
wij
spaarden
jullie
spaarden
zij
spaarden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gespaard
jij
hebt gespaard
hij/zij/het
heeft gespaard
wij
hebben gespaard
jullie
hebben gespaard
zij
hebben gespaard
Toekomende tijd (future)
ik
zal sparen
jij
zult sparen
hij/zij/het
zal sparen
wij
zullen sparen
jullie
zullen sparen
zij
zullen sparen
Conditionalis (conditional)
ik
zou sparen
jij
zou sparen
hij/zij/het
zou sparen
wij
zouden sparen
jullie
zouden sparen
zij
zouden sparen
Imperative
jij
spaar
u / jullie
spaart
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen