All Dutch verbs

sparen

to save

Regularhebben

Example

Hij spaart geld voor een auto.

He is saving money for a car.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
spaar
jij
spaart
hij/zij/het
spaart
wij
sparen
jullie
sparen
zij
sparen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
spaarde
jij
spaarde
hij/zij/het
spaarde
wij
spaarden
jullie
spaarden
zij
spaarden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gespaard
jij
hebt gespaard
hij/zij/het
heeft gespaard
wij
hebben gespaard
jullie
hebben gespaard
zij
hebben gespaard

Toekomende tijd (future)

ik
zal sparen
jij
zult sparen
hij/zij/het
zal sparen
wij
zullen sparen
jullie
zullen sparen
zij
zullen sparen

Conditionalis (conditional)

ik
zou sparen
jij
zou sparen
hij/zij/het
zou sparen
wij
zouden sparen
jullie
zouden sparen
zij
zouden sparen

Imperative

jij
spaar
u / jullie
spaart
Practise this verb