All Dutch verbs

spelen

to play

Regularhebben

Example

De kinderen spelen in het park.

The children are playing in the park.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
speel
jij
speelt
hij/zij/het
speelt
wij
spelen
jullie
spelen
zij
spelen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
speelde
jij
speelde
hij/zij/het
speelde
wij
speelden
jullie
speelden
zij
speelden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gespeeld
jij
hebt gespeeld
hij/zij/het
heeft gespeeld
wij
hebben gespeeld
jullie
hebben gespeeld
zij
hebben gespeeld

Toekomende tijd (future)

ik
zal spelen
jij
zult spelen
hij/zij/het
zal spelen
wij
zullen spelen
jullie
zullen spelen
zij
zullen spelen

Conditionalis (conditional)

ik
zou spelen
jij
zou spelen
hij/zij/het
zou spelen
wij
zouden spelen
jullie
zouden spelen
zij
zouden spelen

Imperative

jij
speel
u / jullie
speelt
Practise this verb