ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
studeren
to study
Regular
hebben
Example
Zij studeert medicijnen.
She studies medicine.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
studeer
jij
studeert
hij/zij/het
studeert
wij
studeren
jullie
studeren
zij
studeren
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
studeerde
jij
studeerde
hij/zij/het
studeerde
wij
studeerden
jullie
studeerden
zij
studeerden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gestudeerd
jij
hebt gestudeerd
hij/zij/het
heeft gestudeerd
wij
hebben gestudeerd
jullie
hebben gestudeerd
zij
hebben gestudeerd
Toekomende tijd (future)
ik
zal studeren
jij
zult studeren
hij/zij/het
zal studeren
wij
zullen studeren
jullie
zullen studeren
zij
zullen studeren
Conditionalis (conditional)
ik
zou studeren
jij
zou studeren
hij/zij/het
zou studeren
wij
zouden studeren
jullie
zouden studeren
zij
zouden studeren
Imperative
jij
studeer
u / jullie
studeert
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen