All Dutch verbs

studeren

to study

Regularhebben

Example

Zij studeert medicijnen.

She studies medicine.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
studeer
jij
studeert
hij/zij/het
studeert
wij
studeren
jullie
studeren
zij
studeren

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
studeerde
jij
studeerde
hij/zij/het
studeerde
wij
studeerden
jullie
studeerden
zij
studeerden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gestudeerd
jij
hebt gestudeerd
hij/zij/het
heeft gestudeerd
wij
hebben gestudeerd
jullie
hebben gestudeerd
zij
hebben gestudeerd

Toekomende tijd (future)

ik
zal studeren
jij
zult studeren
hij/zij/het
zal studeren
wij
zullen studeren
jullie
zullen studeren
zij
zullen studeren

Conditionalis (conditional)

ik
zou studeren
jij
zou studeren
hij/zij/het
zou studeren
wij
zouden studeren
jullie
zouden studeren
zij
zouden studeren

Imperative

jij
studeer
u / jullie
studeert
Practise this verb