All Dutch verbs

typen

to type

Regularhebben

Example

Zij typt een lange e-mail.

She is typing a long email.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
typ
jij
typt
hij/zij/het
typt
wij
typen
jullie
typen
zij
typen

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
typte
jij
typte
hij/zij/het
typte
wij
typten
jullie
typten
zij
typten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb getypt
jij
hebt getypt
hij/zij/het
heeft getypt
wij
hebben getypt
jullie
hebben getypt
zij
hebben getypt

Toekomende tijd (future)

ik
zal typen
jij
zult typen
hij/zij/het
zal typen
wij
zullen typen
jullie
zullen typen
zij
zullen typen

Conditionalis (conditional)

ik
zou typen
jij
zou typen
hij/zij/het
zou typen
wij
zouden typen
jullie
zouden typen
zij
zouden typen

Imperative

jij
typ
u / jullie
typt
Practise this verb