All Dutch verbs

werken

to work

Regularhebben

Example

Ik werk in een ziekenhuis.

I work in a hospital.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
werk
jij
werkt
hij/zij/het
werkt
wij
werken
jullie
werken
zij
werken

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
werkte
jij
werkte
hij/zij/het
werkte
wij
werkten
jullie
werkten
zij
werkten

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gewerkt
jij
hebt gewerkt
hij/zij/het
heeft gewerkt
wij
hebben gewerkt
jullie
hebben gewerkt
zij
hebben gewerkt

Toekomende tijd (future)

ik
zal werken
jij
zult werken
hij/zij/het
zal werken
wij
zullen werken
jullie
zullen werken
zij
zullen werken

Conditionalis (conditional)

ik
zou werken
jij
zou werken
hij/zij/het
zou werken
wij
zouden werken
jullie
zouden werken
zij
zouden werken

Imperative

jij
werk
u / jullie
werkt
Practise this verb