ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
werken
to work
Regular
hebben
Example
Ik werk in een ziekenhuis.
I work in a hospital.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
werk
jij
werkt
hij/zij/het
werkt
wij
werken
jullie
werken
zij
werken
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
werkte
jij
werkte
hij/zij/het
werkte
wij
werkten
jullie
werkten
zij
werkten
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gewerkt
jij
hebt gewerkt
hij/zij/het
heeft gewerkt
wij
hebben gewerkt
jullie
hebben gewerkt
zij
hebben gewerkt
Toekomende tijd (future)
ik
zal werken
jij
zult werken
hij/zij/het
zal werken
wij
zullen werken
jullie
zullen werken
zij
zullen werken
Conditionalis (conditional)
ik
zou werken
jij
zou werken
hij/zij/het
zou werken
wij
zouden werken
jullie
zouden werken
zij
zouden werken
Imperative
jij
werk
u / jullie
werkt
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen