ASAGN
Learn
Practice
Exams
Tests
Community
Culture
Tutors
Pricing
Organizations
Tools
عربي
Sign in
Create account
All Dutch verbs
wonen
to live/reside
Regular
hebben
Example
Wij wonen in Utrecht.
We live in Utrecht.
Tegenwoordige tijd (present)
ik
woon
jij
woont
hij/zij/het
woont
wij
wonen
jullie
wonen
zij
wonen
Onvoltooid verleden tijd (simple past)
ik
woonde
jij
woonde
hij/zij/het
woonde
wij
woonden
jullie
woonden
zij
woonden
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)
ik
heb gewoond
jij
hebt gewoond
hij/zij/het
heeft gewoond
wij
hebben gewoond
jullie
hebben gewoond
zij
hebben gewoond
Toekomende tijd (future)
ik
zal wonen
jij
zult wonen
hij/zij/het
zal wonen
wij
zullen wonen
jullie
zullen wonen
zij
zullen wonen
Conditionalis (conditional)
ik
zou wonen
jij
zou wonen
hij/zij/het
zou wonen
wij
zouden wonen
jullie
zouden wonen
zij
zouden wonen
Imperative
jij
woon
u / jullie
woont
Practise this verb
Related verbs
andwoorden
antwoorden
beantwoorden
bellen
bestellen
betalen