All Dutch verbs

woon

to live

Regularhebben

Example

Hij woont in Amsterdam.

He lives in Amsterdam.

Tegenwoordige tijd (present)

ik
woon
jij
woont
hij/zij/het
woont
wij
woon
jullie
woon
zij
woon

Onvoltooid verleden tijd (simple past)

ik
woonde
jij
woonde
hij/zij/het
woonde
wij
woonden
jullie
woonden
zij
woonden

Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect)

ik
heb gewoond
jij
hebt gewoond
hij/zij/het
heeft gewoond
wij
hebben gewoond
jullie
hebben gewoond
zij
hebben gewoond

Toekomende tijd (future)

ik
zal woon
jij
zult woon
hij/zij/het
zal woon
wij
zullen woon
jullie
zullen woon
zij
zullen woon

Conditionalis (conditional)

ik
zou woon
jij
zou woon
hij/zij/het
zou woon
wij
zouden woon
jullie
zouden woon
zij
zouden woon

Imperative

jij
woon
u / jullie
woont
Practise this verb